Hollaz D. – Vier samenspraken

VIER SAMENSPRAKEN

OVER ONDERWERPEN VAN HET ALLERHOOGSTE BELANG

OF

EVANGELISCHE GENADELEIDING IN DE HUISHOUDING DER ZALIGHEID

DOOR

DAVID HOLLAZ

LEERAAR DER EVANGELISCHE GEMEENTE TE GUNTERSBERG IN POMMEREN.

 

VOORREDE

God is de liefde Zelf voor de mens; niet alleen heeft Hij de mensen geschapen naar Zijn beeld, en met rijke zegeningen overladen, maar ook sedert zij zich van die gelukkige onschuld beroofd hebben, in welke hun eerste ouders, Adam en Eva geschapen waren, heeft Hij niet opgehouden deze in lankmoedigheid te dragen. En hun tevens Zijn eeuwig raadsbesluit bekendgemaakt, dat Hij sommigen uit het gevallen mensdom tot heiligheid en geluk weer brengen wil uit loutere genade. En wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen die onder de wet waren verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden, Gal. 4:4,5.

God nu heeft betoond de uitnemende rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus, Ef. 2:7. En Hij bevestigt deze nog telkens door de menigvuldige zorgen en bemoeiingen, om deel te doen krijgen aan de zalige vruchtgevolgen van de dood, de opstanding en hemelvaart van ons Goddelijk Hoofd; dat is te zeggen, om ons te leiden tot de gelukzaligheid door Jezus verworven.

Vraagt men nu langs welke wegen God de zielen leidt tot het genot der zaligheid en van al de heilgoederen die in Christus Jezus zijn? Het volgende werkje is het antwoord op deze belangrijke vraag, waarom het ook tot opschrift draagt: Evangelische genadeleiding in de huishouding der zaligheid.

De schrijver is een godgeleerde, even vermaard door zijn evangelische kennis, als geacht om zijn godvruchtigheid; het is David Hollaz, leraar te Gunthersberg, bij Stargard in Pommeren, zoon van de beroemde hoogleraar Hollaz, die een samenstel van leerstellige godgeleerdheid geschreven heeft.

Dit kleine werkje is voor het eerst gedrukt in 1741. Toen waren er verschillende uitgaven van, zowel in het Hoogduits als in het Frans, en het is altijd toegejuicht geworden door zulke verlichte mensen, welke nog niet door de wijsheid van deze wereld waren afgetrokken van de evangelische eenvoud.

Wat de nieuwe uitgave betreft, welke thans het publiek wordt aangeboden, wij vleien ons dat deze niet minder gunstig zal ontvangen worden; men heeft zich toegelegd op een zuivere bewerking, en nochtans tot bekorting uitlatende alles wat gemist kon worden, zonder schade te doen aan de mening van de schrijver, zo duidelijk voorgesteld, en aan zijn begeerte om stichting te bevorderen.

Mocht gij waarde lezer! door dit geschrift uzelf recht leren kennen, en een arme van geest leren worden; in dat gevoel van uw ellende de toevlucht te nemen tot Jezus Christus, u aan Hem verbindende door een waarachtig geloof. Mocht gij leren om niet te ontvangen de vergeving van uw zonden, de genade en vrede, de Geest en het leven; alle ontvangen genaden zorgvuldig bewaren, en gestadig wakende te zijn, totdat eens uw hemelse Bruidegom uw bevrijding en gelukzaligheid volkomen zal maken.

Maar indien gij hiertoe wenst te geraken, wilt u dan de volgende raadgevingen dikwijls herinneren.

  1. Zet u tot lezen met een ingetogen geest, en een hart, waarlijk verlangende om wijs gemaakt te worden tot zaligheid.
  2. Vraag uzelf dikwijls af: Verstaat gij dit wel? Gelooft gij dat waarlijk? Zijt gij zoals de mens hier beschreven wordt? Is uw hart zodanig gesteld? Hebt gij dit weleens ondervonden? Verlangt gij inderdaad zo te worden? Hebt gij dit uitgeoefend? enz.
  3. Leest deze samenspraken zolang, totdat gij deze twee zaken wel weet; namelijk eerst wat u ontbreekt, en dan het middel om dat ontbrekende te verkrijgen. Is de eerste lezing daartoe niet voldoende, leest het nog eens, en nog weer voor de derde keer, telkens God biddende om de verlichting des Heiligen Geestes.
  4. Weerstaat de Heilige Geest niet, indien Hij u overtuigt van de slechte staat waarin gij u mocht bevinden; maar laat u leiden tot een grondige kennis van uw ellende, en van alles wat voor u nog verborgen is, al vond gij het ook vreemd, vernederend en treurig.
  5. Eindelijk, rust niet voordat gij in de volle verzekerdheid des geloofs zeggen kunt: Het is waar, eertijds was ik blind, ongelovig, dood in de zonde, slaaf van de satan, oproerig jegens God, vijand van mijn Heiland en de onwaardigste onder de mensen. Maar de Heere heeft Zich over mij ontfermd; mijn zonden zijn mij om de verdiensten van Zijn lijden en sterven vergeven geworden; en God beware mij dat ik ergens anders in zou roemen dan in Jezus Christus en Dien gekruist. Door het geloof in Hem ben ik bekleed met Zijn volmaakte gerechtigheid, en levend gemaakt door Goddelijke kracht. Indien gij eenmaal deze taal voeren kunt, zult gij in waarheid de Heere Jezus Christus toebehoren, en gij zult na een zalige dood ingaan in Zijn heerlijk Koninkrijk. Maar kunt gij dit niet, dan zult gij geen deel met Hem hebben.

God geve dat deze waarheden in uw hart worden tot een levend en vruchtbaar zaad, dat vruchten drage tot in het eeuwige leven! De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u! Amen.